Wat is het Rijksvaccinatieprogramma?
De overheid wil alle kinderen in Nederland beschermen tegen gevaarlijke en soms dodelijke infectieziekten. Daarom heeft ze in 1957 het Rijksvaccinatieprogramma ingesteld. Binnen het programma krijgen kinderen vaccinaties tegen een aantal infectieziekten.
Vaccinatie is niet verplicht
Deelname aan het Rijksvaccinatieprogramma is niet verplicht. De overheid nodigt ouders uit hun kinderen te laten inenten. Meer dan 95% van de ouders laat hun kind inenten.
Geen kosten voor ouders
Ouders hoeven niets te betalen voor vaccinaties in het Rijksvaccinatieprogramma. De kosten worden betaald uit de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). Voorwaarde is dat het consultatiebureau of de GGD de vaccinaties uitvoert met de officiële vaccins. Er is geen enkele andere voorwaarde. Zo is een lidmaatschap van een thuiszorgorganisatie niet nodig.
Vier fasen
Kinderen krijgen de vaccinaties volgens het Rijksvaccinatieprogramma in vier fasen. De eerste fase loopt vanaf de geboorte tot het kind 14 maanden is. De tweede fase volgt als het kind 4 jaar wordt. Rond het 9e jaar komt fase 3. De vierde fase is alleen voor meisjes van 12 jaar.
Combinatie van prikken beter
Kinderen krijgen meerdere prikken tegelijk. Voor het afweerapparaat van het lichaam (immuunsysteem) is dat geen probleem. Ook geeft de combinatie van vaccins geen extra of heftiger bijwerkingen dan losse vaccins. Omdat elke prik een kans op bijwerkingen geeft, is het juist beter om meerder prikken te combineren.
Inenten beschermt
Vergeten leed
Ziekten als difterie, kinkhoest, tetanus, polio, bof en mazelen komen in Nederland nog maar zelden voor. Daardoor vergeten we bijna dat ze vroeger veel leed veroorzaakten. Die tijd is gelukkig voorbij, maar nog steeds is het belangrijk dat bijna alle kinderen worden gevaccineerd. In Nederland is dat het geval bij meer dan 95% van de kinderen. Een hoog percentage is belangrijk om de infectieziekten buiten de deur te houden. Als er namelijk veel ongevaccineerde kinderen en volwassenen zijn, kunnen ronddwalende ziektekiemen vatbare mensen besmetten. Maar als meer dan 90% van de kinderen en volwassenen is ingeënt wordt de mogelijke verspreiding door die overige 10% geneutraliseerd door de 90% eromheen. Dat effect heet groepsimmuniteit.
Ziekten kunnen dan ook weer opduiken via mensen die terugkomen van reizen naar landen waar deze ziekten nog volop heersen. Alleen als een infectieziekte wereldwijd is uitgeroeid, vervalt de noodzaak van vaccinatie. Dat is het geval met pokken. Die ziekte heeft eeuwenlang grote epidemieën veroorzaakt waarbij miljoenen mensen zijn overleden. De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) heeft in 1980 de wereld pokkenvrij verklaard. Sindsdien wordt tegen deze ziekte niet meer ingeënt. Datzelfde hoopt de WHO in 2010 te bereiken met polio.
Epidemieën
Wat kan gebeuren als vaccinatie achterwege blijft, valt op te maken uit een ervaring in Zweden. Daar stopte in 1979 de vaccinatie tegen kinkhoest. Dat ging drie jaar goed, maar daarna steeg het aantal kinkhoestgevallen explosief. In 1983 en 1985 braken zelfs epidemieën uit. Het aantal kinkhoestgevallen bij kinderen onder de 6 jaar nam toe van 700 gevallen per 100.000 kinderen in 1981 tot 3.200 gevallen per 100.000 kinderen in 1985.
In Nederland kwam in 1999/2000 een mazelenepidemie voor. Van de mensen die besmet raakten, had 94% zich niet tegen deze ziekte laten vaccineren. De epidemie kostte aan drie kinderen het leven.
Antistoffen en afweercellen
Vaccineren helpt het immuunsysteem van een kind. Het zorgt ervoor dat het lichaam op gecontroleerde wijze antistoffen en afweercellen aanmaakt tegen de ziekmakers. Het lichaam doet dat ook als een kind de echte ziekte krijgt, maar de risico´s zijn dan veel groter. Bij zo’n natuurlijk opgelopen besmetting is het afwachten hoe ernstig de infectie is en welke gevolgen die zal hebben. Kinkhoest bijvoorbeeld, is voor kinderen een uitputtingsslag en sommige kinderen overleven de ziekte niet.
De ziekten
Bedreiging voor de volksgezondheid
De ziekten waartegen het Rijksvaccinatieprogramma (RVP) beschermt, vormden vroeger een groot probleem voor de volksgezondheid. Na het invoeren van het programma zijn veel van die ziekten helemaal of bijna helemaal verdwenen. Daardoor zouden we bijna vergeten hoe ernstig ze zijn en hoeveel leed vaccinatie voorkomt.
Bof
Is een ziekte van de speekselklieren die 5 op de 1000 keer complicaties geeft als hersen-(vlies)ontsteking. De ziekte kan, al komt dit zelden voor, onvruchtbaarheid tot gevolg hebben.
Difterie
Kan verstikkingsgevaar veroorzaken en het hart en het zenuwstelsel aantasten.
Hib-ziekten
Kunnen hersenvliesontsteking veroorzaken en bloedvergiftiging, strotklepontsteking, longontsteking, beenmergontsteking en gewrichtsontsteking tot gevolg hebben.
Hepatitis B
Is een besmettelijke leverontsteking die kan leiden tot chronische infectie.
Kinkhoest
Is vooral voor baby's gevaarlijk omdat de kans bestaat op hersenbeschadiging.
Mazelen
Kunnen een kind behoorlijk ziek maken, met hoge koorts en huiduitslag. Complicaties als oorontsteking, bronchitis, longontsteking en hersenontsteking komen voor.
Meningokokken C
Kan hersenvliesontsteking en bloedvergiftiging veroorzaken. Ernstige blijvende gevolgen zijn vaak verschijnselen als amputaties, littekenvorming, doofheid, motorische problemen en leer- en gedragsproblemen.
Pneumokokken
Kunnen leiden tot levensbedreigende ziekten als hersenvliesontsteking (meningitis), bloedvergiftiging (sepsis) en ernstige longontsteking (pneumonie). Ernstige blijvende verschijnselen zijn bijvoorbeeld doofheid, epilepsie, afsterven van lichaamsdelen (met vaak amputatie tot gevolg), groeistoornissen of zelfs overlijden.
Poliomyelitis
Is ook bekend als kinderverlamming, kan leiden tot ernstige verlammingsverschijnselen.
Rodehond
Kan vooral ernstige gevolgen hebben voor het nog ongeboren kind. Eén op de vier met rodehond besmette zwangere vrouwen loopt de kans dat hun kind met een afwijking (doof, blind, geestelijke achterstand) wordt geboren.
Tetanus
Kan een verkramping van de kaakspieren (kaakklem) geven en zich uitbreiden naar andere spieren, waaronder de slik- en ademhalingsspieren. Een mogelijk effect is ernstig zuurstofgebrek.
naar boven
Bijwerkingen
Bijwerkingen niet uit te sluiten
In de praktijk is het niet mogelijk om bijwerkingen helemaal uit te sluiten. De meeste reacties zijn mild. Soms zijn de klachten heftiger of langduriger. Gelukkig komen ernstige bijwerkingen zelden voor. Ook is het goed te beseffen dat de bijwerkingen in geen verhouding staan tot de ernst van de ziekte waartegen wordt ingeënt.
In het Rijksvaccinatieprogramma worden meer dan 2 miljoen vaccinaties per jaar gegeven. In ongeveer 2000 gevallen wordt een mogelijke bijwerking gemeld. Bij ruim 80% gaat het ook daadwerkelijk om een bijwerking. Ongeveer 40% van de bijwerkingen beperkt zich tot lokale verschijnselen zoals pijn op de prikplek, roodheid, zwelling en algemene ziekteverschijnselen. De rest van de bijwerkingen betreft heftiger of ernstiger ziektebeelden. Voorbeelden zijn verkleurde benen, langdurige of zeer hoge koorts (40.5 oC of hoger), ononderbroken huilen, een collaps (wegraking), convulsies (stuipen). Voor ouders betekenen de heftige reacties vaak een nare ervaring. Kinderen houden er geen blijvende schade aan over.
Bij de meeste vaccinaties in het Rijksvaccinatieprogramma verschijnen de bijwerkingen op dezelfde dag en duren ze niet langer dan 24 of bij uitzondering 48 uur. Na BMR-vaccinatie treden de bijwerkingen pas na 5 tot 12 dagen op.
Intensieve veiligheidsbewaking
In Nederland is intensieve veiligheidsbewaking een belangrijk onderdeel van het Rijksvaccinatieprogramma. De consultatiebureaus en GGD’en, waar de kinderen worden ingeënt, melden bijwerkingen bij het RIVM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu). Zo wordt onderzocht of de klachten verband houden met de samenstelling van de vaccins, de gelijktijdige toediening van sommige vaccins, het aantal keren dat kinderen in totaal worden ingeënt, of met de leeftijd van de kinderen. De conclusies kunnen leiden tot aanpassing van de vaccins of het vaccinatieprogramma.
Tegengeluiden
Een aantal groepen in de samenleving staat kritisch tegenover deelname aan vaccinatieprogramma’s. Streng gelovige mensen hebben soms religieuze bezwaren. Voorstanders van de natuurgeneeskunde en de homeopathie vinden dat vaccinatie onnatuurlijk is en dat het afweersysteem van het lichaam zelf zijn werk moet doen. De derde groep is die van verontruste ouders. Zij vinden dat er te weinig aandacht is voor de keerzijde van vaccinaties.
(Bron: RIVM)



